Twee figuren zijn gelijkvormig als de ene figuur een exacte vergroting of verkleining is van de andere. Ze hebben dezelfde vorm, maar niet per se dezelfde grootte.
Bertrand tekent drie RECHTHOEKEN: A, B en C.
Rechthoek A heeft een zijde van 12 cm en een diagonaal van 20 cm.
Rechthoek B is gelijkvormig aan A, maar de diagonaal is 25% langer dan die van rechthoek A.
Rechthoek C is ook gelijkvormig aan A.
De totale oppervlakte van rechthoek B en C samen is 2 x de oppervlakte van rechthoek A.
De oppervlakte van rechthoek C is ........ cm².
(Een som van Henk van Huffelen.)
Deze som gaat over rechthoeken. Niet over driehoeken!
De zijden van rechthoek A zijn 12 en 16 cm. (Pythagoras)
De oppervlakte van A is 12 x 16 cm² = 192 cm².
2 x de oppervlakte van A = 384 cm².
Bij rechthoek B zijn alle afmetingen 25% langer.
De zijden zijn 15 en 20 cm.
De oppervlakte van rechthoek B is 15 x 20 = 300 cm².
De oppervlakte van B en C zijn samen 384 cm².
De oppervlakte van rechthoek C is daarom 84 cm².
Extra info, voor de liefhebber:
Als je nog wilt uitrekenen wat de afmetingen van C zijn:
De rechthoekszijden verhouden zich als 3 : 4.
Als de zijden 3 en 4 cm zouden zijn, was de oppervlakte 12 cm².
De werkelijke oppervlakte is 7x zo groot.
Dat is het geval als de zijden

7 maal zo lang zijn.
De zijden zijn 7,93... en 10,58... cm en de diagonaal is 13,2... cm.
Maar dit hoef je allemaal niet uit te rekenen voor deze opgave. De vraag gaat over de oppervlakte van 84 cm².
Zie ook de pagina
Oppervlakte.