Een handelaar koopt een scooter voor een geheel aantal euro's.
Hij verkoopt deze 10% duurder, afgerond op hele euro's.
De verkoopprijs is € 800,00. Wat was de inkoopprijs?





€ 720,00





€ 728,00




€ 727,00





€ 726,00
De verkoopprijs is 110% van de inkoopprijs.
110% = € 800,00
1% = € 7,273
Dan moet de inkoopprijs (ongeveer) 727,30 geweest zijn.
De inkoopprijs was een geheel aantal euro's: € 727,00.
Bij een andere inkoopprijs kom je niet op 800 euro verkoop uit:
Als de inkoopprijs € 726 was geweest, zou de verkoopprijs € 798,60 (afgerond € 799) zijn.
Als de inkoopprijs € 728 was geweest, zou de verkoopprijs € 800,80 (afgerond € 801) zijn.
Zie ook de pagina
Percentage van iets.
Een modezaak geeft 25% korting op een kledingstuk.
Als het kledingstuk niet binnen de gestelde tijd verkocht wordt, geeft men een extra korting van 20% van het bedrag van het afgeprijsde artikel.
Ten slotte wordt nogmaals een korting gegeven van 25% van het op dat moment geldende bedrag van het afgeprijsde artikel.
Als je het kledingstuk pas koopt na de drie kortingen, heb je uiteindelijk een korting van ........ procent op de oorspronkelijke prijs.




55 



anders
(Een som van Henk van Huffelen.)
Stel de oorspronkelijke prijs van het kledingstuk op 100 euro. Dit bedrag is onbelangrijk en voor de berekening gemakkelijk.
Na een korting van 25% is de prijs 75 euro.
Na een extra korting van 20 % is de verkoopprijs 60 euro, want 75 - 15 = 60.
Na de laatste extra korting van 25% is de prijs 45 euro, want 60 - 15 = 45.
De prijs is 55 euro lager dan de oorspronkelijke prijs.
De korting is 55%.
Zie ook de pagina
Percentage van iets.