Je verdeelt een vierkant met zijden van 20 cm in vier even grote vierkanten met zijden van 10 cm. In elk van de kleine vierkanten teken je een zo groot mogelijke cirkel.
De oppervlakte van de figuur die in het hart van het grote vierkant ligt, is ........ mm².
(Vul een geheel getal in. Let op: mm²! Indien nodig afronden.)
Gebruik de formule voor de oppervlakte van een cirkel = pi x straal² en reken met pi = 3,14.
(Een som van Henk van Huffelen.)
De figuur in het centrum van het grote vierkant bestaat uit vier gelijke figuren die in elk vierkant overblijven waarin een zo groot mogelijke cirkel is getekend.
In een klein vierkant zie je dezelfde vier reststukken. Je kunt dus uitrekenen wat het oppervlakteverschil is tussen zo'n klein vierkant en zo'n ingesloten cirkel.
De oppervlakte van een klein vierkant is 10 x 10 = 100 cm².
De cirkels hebben een straal van 5 cm. De oppervlakte van één cirkel is
3,14 x 5 x 5 = 78,5 cm².
De oppervlakte van het gedeelte in centrum van het grote vierkant is
100 - 78,5 = 21,5 cm²
Dat is 2150 mm².
Of reken direct in millimeters:
De oppervlakte van een klein vierkant is 100 x 100 = 10.000 mm².
De cirkels hebben een straal van 50 mm. De oppervlakte van één cirkel is
3,14 x 50 x 50 = 7850 mm².
De oppervlakte van het gedeelte in centrum van het grote vierkant is
10.000 - 7850 = 2150 mm².
Zie ook de pagina
Oppervlakte.