Verhoudingen:
1

: 3

is hetzelfde als 9

: ........




25 



anders
Je hoeft dit niet te behandelen als twee deelsommen, maar als twee verhoudingen.
In de eerste verhouding is het linker getal 1

en in de tweede verhouding is het linker getal 9

.
9

is 8 x 1

.
Als je het rechter getal uit de eerste verhouding ook vermenigvuldigt met 8, is de verhouding weer in balans:
8 x 3

= 25.
Zie ook de pagina
Verhoudingen.

Een speelgoedtrein bestaat uit een locomotief (A) en 2 wagons (B en C).
In het blokjesschema is ieder onderdeel van de trein even groot, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Elk deel van de trein is een blokje.
De hele combinatie is 60 cm lang.
De locomotief is even lang als wagon C.
Als de locomotief 2 maal zo lang zou zijn, dan zou hij samen met wagon C even lang zijn als wagon B.
De locomotief is ........ cm lang.
(Vul een heel getal in. Rond zo nodig af.)




12 



anders
(Een som van Jacques Schopman.)
A en C zijn even lang. Als A twee keer zo lang zou zijn, zou hij samen met C niet 2, maar 3 keer zo lang zijn als alleen C.
B is ook 3x de lengte van C.
2 locomotieven A + wagon B + wagon C zijn zo lang als 6 x C.
De werkelijke trein heeft maar 1 locomotief, dat scheelt dus 1 lengte C. De treinlengte 60 cm is 5 x C.
C = 60 cm : 5 = 12 cm en dat geldt ook voor de locomotief.

A = C
B = 60 cm – A – C
B = 60 cm – 2A
2A + C = B
3A = B
B = 60 cm – 2A
3A = 60 cm – 2A
3A + 2A = 60 cm
5A = 60 cm
A = 12 cm
Zie ook de pagina
Vergelijkingen.